2.2. Besturingssysteem

cartoon: Randy Glasbergen

In dit hoofdstuk leer je wat het besturingsprogramma van je computer allemaal kan en doet. En waarmee. En hoe.

software

Een computer verwerkt en bewerkt vele verschillende soorten gegevens. Je noemt die gegevens ook wel bestanden of data. Dat kunnen tekstbestanden zijn, of uitkomsten van berekeningen of boekhoudkundige overzichten. Maar ook het ontwerp van een tuin of een keuken, een tekening of foto, een video of een geluidsfragment.

Het verwerken en bewerken van data gebeurt met behulp van programma’s. Alles wat met programma’s te maken heeft, noem je software. Er zijn verschillende soorten software: besturingsprogramma’s en programma’s voor toepassingen. Hieronder zie je dat in een schema uitgewerkt.

software schema

vijf belangrijke taken van het besturingssysteem:

  1. Beheren van bestandsgegevens en programma’s
  2. Uitvoeren van handelingen met bestanden
  3. Uitvoeren van handelingen met interne en externe geheugens
  4. Uitvoeren van handelingen met randapparatuur
  5. Werken met programma’s

1. Beheren van bestandsgegevens en programma’s
Als je iets met een pen opschrijft, doe je dat bijvoorbeeld in een schrift. Dat schrift bewaar je. Als je een tekst met een tekstverwerker hebt gemaakt, wil je die ook bewaren. De inhoud van de tekst bewaar je in een bestand. In het Engels heet dat een file. De inhoud van dit bestand bestaat dus uit tekst. Maar de inhoud van een bestand kan ook een reeks cijfers zijn, een plaatje, een video of een geluidsopname.

De plaats waar je de data bewaart heet de harde schijf of het geheugen van je computer. Dat kan een harde schijf of geheugen in je computer zijn. Dan noem je het een interne harde schijf of intern geheugen. De meeste mensen bewaren al hun bestanden op hun computer zelf. Maar bestanden kunnen ook (beter en veiliger) buiten de computer worden bewaard. Bijvoorbeeld op een cd, een dvd, een usb-stick, een losse harde schijf die je aan je computer koppelt of een geheugenkaart in een apparaat. In dat je geval spreek je van een externe harde schijf of extern geheugen, of een externe data-drager.

  • cd = Compact Disk, schijf voor de opslag van data (meestal audio-data)
  • dvd = Digital Versitile Disc, digitale veelzijdige schijf voor de opslag van data (meestal video-data)
  • usb = Universal Serial Bus = een standaard-manier om randapparatuur aan de computer aan te sluiten. Dat kan een geheugenstick, maar ook bijvoorbeeld een printer of een digitale platenspeler zijn.
  • floppy disc

    de voorlopers van de cd en dvd waren de floppy disc en de diskette. Ze werden gebruikt in de jaren 80 en 90 voor data-overdracht, maar ook om software op te bewaren en softwareprogramma’s mee te starten. Soms had je voor één softwareprogramma wel vijf floppy’s nodig. Harde schijven waren in die tijd veel kleiner, de grote waren onbetaalbaar. Maar ook de geheugeninhoud van de floppy en de diskette was heel beperkt. Je speelde ze af in een apart diskettestation in de computer. Een nadeel was de kwetsbaarheid, ze gingen snel kapot.


  • diskette

    Maar het grootste nadeel van de floppy’s en diskettes was de gevoeligheid voor virussen. En omdat toen nog niet iedereen een virusscanner had, zorgde dat voor veel ellende. Voor je het wist waren alle computers in een kantoor besmet het hetzelfde virus.


Elk bestand wordt door het besturingssysteem op een andere manier bewaard. Dat hangt af van de software die je hebt gebruikt om het bestand te maken. Een tekst die je in Word maakt, wordt opgeslagen als ‘bestandsnaam.doc’. Een plaatje kan op vele verschillende manieren worden opgeslagen. Bijvoorbeeld als ‘bestandsnaam.jpg’, ‘bestandsnaam.png’ of ‘bestandsnaam.gif’. Hetzelfde geldt voor muziek of video’s.

Een bestand wordt dus altijd opgeslagen als: ‘bestandsnaam.software’. Het gedeelte achter de punt (.doc – .jpg – .gif, enzovoorts) noem je de extensie. Om die reden is het verstandig nooit zelf een punt in je bestandsnaam te gebruiken. Je besturingssysteem weet dan soms niet goed meer wat de extensie van het bestand is en raakt in de war. Ook kun je niet zomaar de extensie van een bestand wijzigen.

Elk bestand heeft dus een naam en een plaats waar het bestand in of buiten de computer is opgeslagen. De computer onthoudt waar elk bestand is opgeslagen. Dit noemen we ‘het beheren van bestanden’. Het beheren van bestanden is dus een taak waar het besturingssysteem voor zorgt.

2. Uitvoeren van handelingen met bestanden
De computer kan met behulp van het besturingssysteem verschillende dingen met bestanden doen.

    • bestanden afdrukken
    • bestanden laten zien op het beeldscherm
    • bestanden opslaan en beveiligen (zodat de inhoud niet per ongeluk veranderd of gewist kan worden)
    • bestanden bewerken
    • bestanden een andere naam geven
    • bestanden kopiëren
    • bestanden verplaatsen of samenvoegen
    • bestanden verwijderen

3. Uitvoeren van handelingen met interne en externe geheugens
Soms kan het gebeuren dat je een externe data-drager ineens niet meer kunt gebruiken, omdat hij vastloopt. Er is dan nog maar één oplossing. Deze oplossing is formatteren. Formatteren gebeurt met een programma van het besturingssysteem. Bij het formatteren worden alle bestanden op de data-drager gewist en ben je die dus kwijt. Ook wordt de data-drager bij het formatteren opnieuw ingedeeld.

computercrash

Ook bij de interne harde schijf zijn soms reddingshandelingen nodig. Ook een interne harde schijf kan crashen, volledig vastlopen. In het ergste geval moet je de harde schijf formatteren en alles opnieuw installeren. Dan ben je dus alle data kwijt. Het is daarom verstandig alle software-cd’s die bij je computer horen goed te bewaren en een rescue-cd voor je computer te maken.

Veel mensen slaan hun bestanden op een extern geheugen op, omdat de computer kan crashen. Als dan je computer de geest geeft, heb je in elk geval je bestanden nog. Dit heet een back-up.
Tegenwoordig gaan steeds meer mensen ertoe over al hun bestanden niet meer op een interne of externe harde schijf te bewaren, maar op een server waar ze serverruimte inkopen, of op een eigen server. Op die manier kun je als je dat wilt de bestanden namelijk ook gemakkelijk delen met anderen. Dit heet de cloud.

Als je al je bestanden op je computer bewaart dan is het verstandig je interne harde schijf van tijd tot tijd te defragmenteren. Bij het defragmenteren worden de beschreven gedeelten van de harde schijf op een betere wijze ingedeeld. Tegelijkertijd worden de data gecomprimeerd. Comprimeren is verkleinen, compacter maken, zodat de bestanden minder geheugenruimte in beslag nemen. Hoe meer geheugenruimte wordt gebruikt voor bestanden, hoe trager je computer wordt. Dus regelmatig defragmenteren en comprimeren maakt je computer sneller.
Comprimeren en defragmenteren hebben geen invloed op de inhoud van een bestand. Ook het comprimeren en defragmenteren wordt gedaan met een programma van het besturingssysteem.

4. Uitvoeren van handelingen met randapparatuur
Randapparaten zijn bijvoorbeeld de printer, het beeldscherm, het toetsenbord en de muis. Bij bijna alle randapparaten kun je zelf eigenschappen instellen. Zo kun je via het besturingssysteem de scherpte en de kleuren van het beeldscherm instellen, of de lettergrootte. Ook allerlei eigenschappen van de printer kun je met behulp van het besturingssysteem instellen.
Dat maakt het voor een beginner vaak lastig. Gelukkig hoef je dat ook niet allemaal te doen. Als je niets doet, kiest de computer automatisch bepaalde standaard instellingen. Zo’n automatische instelling heet de default-instelling.

5. Werken met programma’s
Met het besturingssysteem kun je een programma, bijvoorbeeld Word, starten en afsluiten. Met het besturingssysteem kun je ook het werken met een programma onderbreken en later hervatten.

Begrippen die je moet kennen:

  • data
  • software
  • toepassingen
  • bestand | file
  • harde schijf | geheugen (intern en extern)
  • cd
  • dvd
  • usb
  • floppy disc en diskette
  • extensie
  • formatteren
  • crashen
  • back-up
  • cloud
  • defragmenteren
  • comprimeren
  • default-instelling

↑ NAAR BOVEN ↑

Reacties zijn gesloten.