2.6. Verschillende soorten vragen

Hieronder vind je voorbeelden van vragen die jullie zelf bedacht hebben. We bespreken in de les welke vragen zinnig zijn en welke niet. Eerst bekijken we welke soort vragen je kunt stellen.

Deze huiswerkopdracht gaat niet over het geven van goede antwoorden, maar over het bedenken van goede vragen. Normaal is dat het werk van de docent, nu jullie dat gedaan. Dat is handig, want zo leer je meteen hoe een docent denkt en werkt.
Om erachter te komen wat goede vragen zijn, moet je eerst het volgende weten.

Er zijn drie soorten vragen:

  1. Vragen over Dingen die je moet Weten
  2. Vragen over Dingen die je moet Kunnen
  3. Vragen over Dingen die je moet Snappen

1. Weten:
In de lessen leer je veel zaken die je moet weten, die je uit je hoofd kunt leren. Dingen die je moet weten, kennis dus, gaan over feiten of over begrippen.

a. Feiten
Een feit is iets wat vaststaat, wat je kunt waarnemen en onderzoeken. Mensen zeggen vaak dat feiten ‘waar’ zijn.
Een feitenvraag is een zogeheten gesloten vraag: er is maar één antwoord goed.
Een feitenvraag begint bijvoorbeeld met:
Wie …
Wat …
Waar …
Wanneer…
Een andere geschikte manier om feitenkennis te toetsen is een multiple-choicevraag (meerkeuzevraag).

b. Begrippen
Een begrip beschrijft een werkelijkheid, maar ook hoe dingen met elkaar te maken hebben. Een begrip heet ook wel een definitie.
Ook een begripsvraag is een gesloten vraag: er is (meestal) maar één antwoord goed.
Een begripsvraag begint bijvoorbeeld met:
Wat is…?

2. Kunnen
Op school leer je hoe je dingen moet doen. Bijvoorbeeld hoe je gereedschap of formules moet gebruiken, hoe je grammaticaregels toepast, of hoe je dingen moet berekenen of opzoeken, of moet onderzoeken. Als je iets kunt, dan noem je dat een vaardigheid. Je leert vaardigheden door veel te oefenen. Een vraag die gaat over vaardigheden noem je een toepassingsvraag.
Toepassingsvragen zijn (meestal) ook gesloten vragen, dus er is maar één antwoord goed.

Toepassingsvragen zijn vaak geformuleerd als een opdracht, bijvoorbeeld:
Gebruik…
Bereken…
Wat is…

3. Snappen
De moeilijkste vragen gaan over of je iets snapt, of je leerstof hebt begrepen. Of je de feiten en begrippen die je hebt geleerd zo kunt combineren, dat blijkt dat je het hebt begrepen, of dat je zelfstandig conclusies kunt trekken. Je kunt zulke antwoorden vaak niet in je boek vinden.

Deze vragen heten ook wel Leg-uit-vragen. Docenten van een gymnasium geven hun leerlingen vaak Leg-uit-vragen, omdat gymnasiasten goed zijn in zelfstandig nadenken en verbanden leggen.

Leg-uit-vragen zijn vaak open vragen; er zijn meerdere goede antwoorden mogelijk. Bij een Leg-uit-vraag kun je soms zelfs een fout antwoord geven dat toch goed wordt gerekend, omdat je argumentatie of redenatie goed was.

Leg-uit-vragen beginnen bijvoorbeeld met:
Waarom…
Laat zien dat…
Hoe komt het dat…
Leg uit waarom…

Extra informatie voor wie er meer van wil weten (niet verplicht): bij Leg-uit-vragen wordt verschil gemaakt tussen een kop-staartvraag en geen kop-staartvraag.
uitleg

Er volgen nu 30 vragen die jullie hebben bedacht. We gaan ze in de les bespreken. Maak zelf aantekeningen, want we bespreken ook welke vragen bij een toets nooit gesteld zullen worden (en waarom) en welke wel!
Wat zijn goede vragen en wat niet? En welke soort vragen komt het vaakst voor?:

  1. Waarom was de eerste computer zo groot?
  2. Waar staan bytes voor?
  3. Wat staan de afkortingen cd, dvd en usb voor?
  4. Wat zijn randapparaten?
  5. Hoe heette de man die in 1643 de computer uitvond?
  6. Wanneer en door wie werd de transistor uitgevonden?
  7. Waarvoor is de computer er?
  8. Wat is de grootste bit-eenheid?
  9. Geef 2 tips voor een snellere computer.
  10. Hoe heten de gegevens die een computer verwerkt?
  11. Wat zijn de 5 belangrijke taken van een besturingssysteem?
  12. Hoe heet een automatische instelling?
  13. Waarom moeten mensen een back-up maken?
  14. Wat voor nationaliteit had de uitvinder van de micro-chip?
  15. Wat is het verschil tussen hardware en software?
  16. Wat betekent; KB, MB, GB, TB?
  17. Hoe kwam men op het idee voor een computer?
  18. Waarom bestaat de programmeertaal alleen uit 1 en 0?
  19. Toen er satellieten werden uitgevonden, werkten computers ook gelijk via een satelliet?
  20. Wat heeft de microchip voor nut?
  21. Wat wordt bedoeld met defragmenteren?
  22. Wat gebeurt er als je je computer formatteert?
  23. Hoe noem je bij een bestandsnaam het gedeelte achter de punt (.doc .jpg .gif)?
  24. Wat is de Engelse naam voor bestand?
  25. Wat is comprimeren?
  26. Wat was een floppy disk en wat was het grootste nadeel ervan?
  27. Wat kun je doen om te voorkomen dat een computer crasht?
  28. Leg uit waarom de uitvinding van de transistor en de microchip de ontwikkeling van de personal computer mogelijk maakten.
  29. Waarom rekenen we niet meer in bytes?
  30. waarom bestaan er verschillende besturingssystemen, is één systeem niet veel handiger?

↑ NAAR BOVEN ↑

Reacties

Nog geen reacties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s